Afzonderlijke besluiten nemen is aangewezen
Als de woning, naast de acute risico’s nog andere gebreken heeft, is het aangewezen om naast de toepassing van art. 135, §2 van de Nieuwe Gemeentewet ook de administratieve procedure tot ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring op te starten.
De burgemeester kan in het kader van art. 135 van de Nieuwe Gemeentewet immers enkel die maatregelen opleggen die nodig zijn om de vastgestelde acute gevaren te verhelpen. Andere, minder acute, woningkwaliteitsproblemen kunnen via deze weg niet worden aangepakt. Zodra de openbare veiligheids- en/of gezondheidsproblemen die aanleiding hebben gegeven tot het onbewoonbaarheidsbesluit op basis van de Nieuwe Gemeentewet zijn weggewerkt, moet de burgemeester dat besluit opheffen. De eigenaar is dus niet verplicht om alle nodige werken uit te voeren teneinde de algemene woningkwaliteit van de woning op een minimaal niveau te brengen. Als de burgemeester eveneens een besluit tot ongeschikt- en/of onbewoonbaarverklaring neemt op basis van de Vlaamse Wooncode, dan moet de woning voldoen aan alle minimale veiligheids- gezondheids- en woningkwaliteitsvereisten. Een dergelijk besluit mag in dat geval enkel worden opgeheven als de woning opnieuw conform is en geen veiligheids- gezondheidsrisico’s meer vertoont.
Opgelet:
Als zowel de Nieuwe Gemeentewet als de Vlaamse Wooncode worden toegepast, moeten aparte besluiten genomen worden. De burgemeester moet dan
1) een besluit tot onbewoonbaarverklaring nemen op basis van art. 135 van de Nieuwe Gemeentewet en;
2) een besluit tot ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring nemen op basis van art. 15 van de Vlaamse Wooncode
Het spreekt voor zich dat de burgemeester pas een besluit kan nemen in toepassing van de Vlaamse Wooncode als de procedure vastgelegd in artikel 15 correct werd doorlopen[1].
Datum laatste aanpassing: 25-01-2012
Gevolgen voor de opname in de gewestelijke inventaris
Een woning die onbewoonbaar is verklaard op basis van art. 135, §2 van de Nieuwe Gemeentewet, wordt door de inventarisbeheerder opgenomen in de gewestelijke inventarislijst van ongeschikte en onbewoonbare woningen[1]. Woningen die ongeschikt en/of onbewoonbaar zijn verklaard op basis van art. 15 van de Vlaamse Wooncode worden in dezelfde inventarislijst opgenomen.
De inventarisatiedatum van een woning waarvoor twee besluiten werden genomen is bijgevolg steeds gelijk aan de datum van het eerste besluit.
De inventarisbeheerder moet een woning (conform het heffingsdecreet) schrappen uit de inventaris als ze weer voldoet aan de vereisten van de Vlaamse Wooncode (of de kamer of studentenkamer weer voldoet aan de vereisten van het Kamerdecreet)[2]. Dat betekent dus dat de opheffing van een onbewoonbaarheidsbesluit, genomen in toepassing van de Nieuwe Gemeentewet, niet automatisch leidt tot de schrapping uit de gewestelijke inventaris. De houder van het zakelijk recht moet immers bewijzen dat de woning voldoet aan de elementaire veiligheids- gezondheids- en woningkwaliteitsvereisten, vastgelegd in de Vlaamse Wooncode én aan alle vereisten van brandveiligheid. Doorgaans wordt dit bewijs geleverd aan de hand van een technisch verslag van het onderzoek van de kwaliteit van de woning, waarbij minder dan 15 strafpunten zijn aangeduid en geen veiligheids- of gezondheidsrisico’s (meer) zijn vastgesteld. Het technisch verslag van die controle wordt in principe opgemaakt door de gemeente.
[1] Zie voor meer informatie daarover 2.4.3.
[2] Volgt uit art. 35, §2 van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 (het Heffingsdecreet): “Onverminderd de bepalingen van artikel 39, §2, schrapt de inventarisbeheerder een woning uit de inventaris zodra de houder van het zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, of zijn rechtsopvolger kan bewijzen dat: - de woning weer voldoet aan de vereisten als vermeld in artikel 28, §1, derde lid; […]”.
Art. 28, §1, derde lid van het Heffingsdecreet: “Onverminderd de toepassing van artikel 89bis van het wetboek van strafvordering, hebben de genoemde abtenaren toegang tot de gebouwen en/of woningen om alle voor de heffing noodzakelijke opsporingen en vaststellingen te verrichten wanneer het vermoeden bestaat dat een woning niet voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 5, §1, eerste en tweede lid, van de Vlaamse Wooncode, of een kamer of studentenkamer niet voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 4 en, naargelang het geval, artikelen 6 en 7 of artikel 8 van het Kamerdecreet”.
Datum laatste aanpassing: 25-01-2012